De cijfers die op tafel liggen in Rotterdam
Rotterdam, 27 september – Er liggen cijfers op tafel die je niet kunt wegwuiven, ook niet aan de Maas. Het HBSC-onderzoek van Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut laat zien dat de acceptatie van homoseksualiteit onder jongeren tussen 2021 en 2025 hard is gedaald. Waar in 2021 nog 59 procent positief was, is dat nu nog 36,5 procent. Nog maar vier op de tien jongeren staat positief tegenover homoseksualiteit. Bij jongens in het voortgezet onderwijs is de daling het scherpst, van 40 procent naar 22 procent. In de studio van Ongehoord Nieuws zaten Raisa Blommestijn, René Dercksen en Henk Krol om die cijfers te duiden. Hun vraag was dezelfde als op straat in Rotterdam-Noord, op Zuid, in de tram: waarom neemt homo intolerantie onder jongeren zo sterk af terwijl er juist meer voorlichting, meer campagnes en meer overheidsbeleid is dan ooit?
Alleen de extremen halen de tijdlijn
Het antwoord dat je op straat hoort is directer dan het rapport. De media laten alleen extremen zien. Niet de buurman die met zijn vriend hand in hand over de Binnenrotte loopt, niet de collega die gewoon zijn werk doet, maar mannen in hondenpakjes, latex op de Pride, transgender personen die als statement worden neergezet, en elk debat dat net genoeg schuurt om te delen. Dat is geen toeval, dat is mediamechanisme. Een gewone dag levert geen clicks op, een botsing wel. Het gevolg is een vertekend beeld dat blijft hangen in het hoofd. Wat je het vaakst ziet, ga je als norm zien voor de hele groep.
Wie de straat ritme kent weet hoe dat werkt. Jongeren leven op hun telefoon, op beelden, op korte fragmenten. Als de enige beelden die ze van seksueel anders zijn dan de standaard te zien krijgen de meest uitgesproken rand zijn, dan wordt die rand het referentiekader. Dat geldt voor iedereen. Het gold eerder voor hoe over moslims werd bericht. Dagelijks alleen maar extremen laten zien net zo lang tot het bij het brede publiek compleet is ingeprent. Niet-moslims vormen een radicaal beeld over islam, en jonge moslims zelf ook. En nu zijn de seksueel niet-standaard mensen aan de beurt, met precies dezelfde dynamiek. Het is een cyclus die je kunt voorspellen.
Van Zwarte Piet tot regenboogzebrapad: woorden als beleid
Identiteitspolitiek landt niet in een beleidsnota, het landt in woorden. En woorden zijn in Nederland beleid geworden. Bij de discussie rond Zwarte Piet zag je het gebeuren. Een kinderfeest werd een nationaal symbooldebat met rechtszaken, demonstraties, richtlijnen van gemeenten en omroepen. Woorden werden verboden en vervangen. Het n-woord mocht niet meer, zoen werd de nieuwe term voor iets anders, zwart veranderde van kleur naar afkomst naar identiteit. Zwart zijn was voor veel Surinaamse en Antilliaanse nazaten van tot slaaf gemaakten een cultuuruiting, een geschiedenis, een manier van leven. Nu is het een verzamelbak geworden waarin Afrikaanse asielzoekers, Surinamers, Antillianen en iedereen met een donkere huid samen worden gegooid als zwart.

Hetzelfde zie je met begrippen als racisme en antisemitisme. Wanneer die woorden voor elke discussie worden gebruikt, worden ze betekenisloos. Dat zeggen mensen aan beide kanten van het debat. Zionistische christenen die antisemitisme voor alles gebruiken, activisten die racisme voor alles gebruiken. Het resultaat is dat er juist ruimte ontstaat voor echt racisme en echt antisemitisme, omdat niemand de woorden nog serieus neemt. Op straat in Rotterdam hoor je het terug. Er wordt tegenwoordig slechter over zwarten gesproken dan voorheen, juist omdat de herdefiniëring niet heeft gezorgd voor meer verdraagzaamheid maar voor meer verwarring. En opvallend, zeggen ouderen: de leidende figuren in de media waren vaak Afrikanen, terwijl de klappen vallen bij Afro-Surinaamse en Antilliaanse kinderen en jongvolwassenen.
Datzelfde patroon zie je nu bij transgender en regenboogbeleid. Een regenboogzebrapad is geen landelijk bevel, het is een beslissing van een wethouder in een gemeente. Een drag queen die voorleest op een basisschool is geen landelijk curriculum, het is een school die een externe partij inhuurt, soms met subsidie voor burgerschap. Maar voor het publiek voelt het als één lijn, als overheidsbeleid dat elke dag in je gezicht wordt gesmeten. En het publiek is het zat. Niet omdat het per se tegen de persoon is, maar omdat het het gevoel heeft dat het moet meedoen aan een ideologie.
De overheid die niet werkt als een granman
De Nederlandse overheid functioneert niet als de granman in Suriname omringd door raadgevers, en ook niet als Desi Bouterse met zijn militaire raad. Dat is bevel en direct gezag. Nederland is hoog geavanceerd. De overheid en alle apparaten die daarbij horen om het volk te mennen werken via ministeries, adviesraden, inspecties, gemeenten, de NPO, onderwijsinspectie, antidiscriminatiebureaus en communicatieafdelingen. Er is geen één persoon die beslist, er is een netwerk dat stuurt via subsidies, aanbestedingen, campagnes en richtlijnen.
Daardoor is beleid ook minder zichtbaar. In de jaren tachtig werd verrechtssing en liberalisering beloofd om de overheid goedkoper te maken zodat er minder belasting betaald hoefde te worden. Wie hoor je vandaag vertellen dat hij elk jaar minder belasting betaalt? Niemand. De overheid is niet kleiner geworden, ze is anders georganiseerd. Minder directe uitvoering, meer sturing via symbolen en taal. En Ongehoord Nederland, ook al zet het zich af tegen de rest, is gewoon onderdeel van dat publieke omroepbestel met dezelfde Mediawet en dezelfde financiering. Ze spelen mee in hetzelfde spel, alleen met een andere toon. Zij benoemen de moslims, anderen benoemen de manosphere en Andrew Tate.
Of die daling van tolerantie nu een mislukking is van beleid of juist het bedoelde effect, daar lopen de interpretaties uiteen. Beleidsmakers zeggen: we willen meer tolerantie maar we falen omdat sociale media sterker zijn. Een ander deel van de straat zegt: als je jarenlang alleen extremen toont en tegelijk nieuwe taalregels oplegt, dan weet je dat een deel gaat afhaken. En die polarisatie is handig, want een samenleving die verdeeld is over identiteit praat minder over die oude belofte van lagere lasten.
Religie als instrument, en de kerk die nooit genoemd wordt
Religie in deze discussie is een instrument. Een wordt altijd meer dan tien keer genoemd bij elk gesprek, de andere nooit. Wanneer het gaat over homo intolerantie onder jongeren wordt religieus bijna automatisch vertaald naar islam en migratieachtergrond. De zionistische kerken, de evangelische en pinkstergemeenten die ook groeien, worden zelden genoemd.
Een daarvan is Victory Outreach, in sommige gemeenten vroeger bekend als De Kandelaar. Victory Outreach is een internationale kerk uit de pinksterbeweging, opgericht in 1961, met als doel het brengen van het onverkorte evangelie en het werken met mensen in moeilijke situaties. In Nederland zijn er vestigingen in onder andere Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en Eindhoven. Het zijn vaak kerken met een sterk Surinaamse, Antilliaanse, Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse achterban. Hun opvattingen over seksualiteit, over rolpatronen tussen man en vrouw, over wat normaal is, zijn net zo conservatief als andere orthodox-religieuze milieus. Maar omdat het frame al vastligt, blijven ze buiten beeld.
Als religie een factor is in hoe jongeren denken over homoseksualiteit, dan moet je alle factoren benoemen. Niet alleen de ene die goed past in het debat, maar ook de kerken die in Rotterdam-West, in Schiedam, in Den Haag elke zondag vol zitten. Daar hoor je dezelfde straat ritme, dezelfde nadruk op traditionele waarden, dezelfde weerstand tegen wat als opgelegde identiteitspolitiek wordt gezien.
Wat dit doet op straat in Rotterdam
Uiteindelijk landt dit alles niet in een rapport, maar op straat. Aan de Maas voel je cohesie niet in een nota, maar in of mensen elkaar nog groeten in de lift. Veiligheid voel je niet in een campagne, maar in of jongeren nog hand in hand durven te lopen door de stad. Saamhorigheid voel je in of een klas nog een klas is, of een verzameling eilandjes die elkaar mijden. Verdraagzaamheid voel je in of je nog een grap kunt maken zonder dat er meteen een label op je wordt geplakt.
De daling van homo-acceptatie is meer dan een cijfer. Het is een signaal dat de manier waarop media, overheidsbeleid en religieus conservatisme samenkomen niet leidt tot meer begrip, maar tot vermoeidheid en terugtrekking. Wanneer alleen extremen zichtbaar zijn, wanneer woorden telkens worden herdefinieerd, wanneer lokaal beleid als landelijke dwang wordt ervaren, dan haakt het brede publiek af. En de rekening ligt niet bij de beleidsmakers of bij de omroepen, maar bij jongeren op schoolpleinen, bij Afro-Surinaamse en Antilliaanse kinderen die al eerder de dupe waren van een verhard debat, en bij LHBTI-jongeren die nu merken dat de straat minder veilig voelt.
Rotterdam is een stad die direct is. Hier wordt niet om de hete brij heen gedraaid. Als je elke dag rotzooi laat zien en dat als norm verkoopt, dan zegt de Rotterdammer: ik ben het zat. En dat zat zijn zie je nu terug in de cijfers.





Plaats een reactie