Brain drain en soevereiniteit: waarom China kan wat Suriname niet kan

De wind draait op de Maas en in Paramaribo

Rotterdam – De ochtend begint koud aan de Maas. Containers glijden voorbij, de wind snijdt tussen de kades van Rotterdam-Zuid en Katendrecht, en op de telefoon verschijnt een bericht van de nos. China maakt het moeilijker voor Chinezen om hun eigen land uit te reizen. Nieuwe regelgeving, bredere bevoegdheden, nationale veiligheid als kapstok. Op het eerste gezicht een bericht uit Beijing, ver weg. Maar als je lang genoeg op de kade staat, voel je dat dit ook over Rotterdam gaat, over Paramaribo, over wie er mag vertrekken en wie er moet blijven. Over brain drain, over soevereiniteit en over de vraag wie er eigenlijk eigenaar is van je eigen land.

Controle boven alles in Beijing

Vanaf nu kan de Chinese overheid de bewegingsvrijheid van haar burgers beperken wanneer naar het oordeel van diezelfde overheid de ontwikkeling van het land of de nationale veiligheid in het geding is. Dat is de kern van de nieuwe wet waar de nos over schrijft. De formulering is opzettelijk breed. Geen duidelijke definitie van wat nationale veiligheid precies is, wel veel macht voor de immigratiedienst en de mogelijkheid om iemand een uitreisverbod op te leggen zonder hem daar zelfs over in te lichten. Daarmee wordt de mogelijkheid om zo’n beslissing aan te vechten in de praktijk ontnomen.

Advertenties

Officieel gaat het om het tegengaan van fraude en terrorisme. De wereld is onveiliger geworden, zegt het ministerie van Justitie in Beijing. Maar de wet gaat om veel meer dan dat. Het gaat om kennis behouden, om talent vasthouden, om technologie binnen de grenzen houden. Dit jaar werd een overnamedeal van het Chinese AI-bedrijf Manus met het Amerikaanse Meta geblokkeerd. Niet alleen de deal werd gestopt, er werd ook geprobeerd te voorkomen dat de oprichters het land zouden verlaten. Met de nieuwe wet wordt dat soort ingrijpen in de toekomst een stuk simpeler. Het is een logische stap in een bredere campagne van Beijing om strategische industrieën te beschermen tegen het buitenland.

Voor Chinezen was reizen al geen vanzelfsprekendheid. Slechts elf procent van de bevolking heeft een paspoort. Sommige groepen, zoals etnische minderheden, gelovigen, activisten en partijcritici, krijgen er zelden een. Ambtenaren, militairen en medewerkers van veiligheidsdiensten moeten al jaren toestemming vragen om naar het buitenland te reizen. Sinds enkele jaren geldt dat ook voor leraren, artsen en medewerkers van staatsbedrijven. Terwijl het voor buitenlanders steeds makkelijker wordt om China te bezoeken, zitten Chinezen er steeds vaker opgesloten. Zoals de prominente Chinese advocaat Henry Gao die in het buitenland verblijft op X schreef: het recht om China te verlaten verandert steeds meer in een privilege dat door de staat naar eigen goeddunken wordt verleend.

Brain drain tussen Suriname en Silicon Valley

De angst voor brain drain is niet Chinees. Die is universeel. In Suriname kent iedereen het verhaal. De slimsten vertrekken. Artsen naar Nederland, ingenieurs naar de Verenigde Staten, verpleegkundigen naar Canada. Het land investeert in onderwijs, het buitenland plukt de vruchten. Dat is het klassieke patroon van een kleine economie met een grote diaspora. Bijna 350.000 mensen van Surinaamse afkomst wonen in Nederland, tegenover 600.000 in Suriname zelf.

Door de eeuwen heen

China kent datzelfde patroon, maar in een andere schaal en met een andere lading. De afgelopen tien jaar vertrokken tienduizenden top-onderzoekers, chip-specialisten en AI-engineers naar Silicon Valley. Voor Beijing is dat niet alleen een arts minder, maar een productielijn minder. Een ingenieur die bij Huawei of chipmaker SMIC heeft gewerkt neemt geen koffie mee, maar staatsgeheimen, patenten en productiemethodes. Daarom is de angst in Beijing niet alleen brain drain, maar kennis-drain. Het is het verschil tussen een huis dat leegloopt en een fabriek die wordt leeggehaald.

Professor Han Shenlin van de New York University in Shanghai verwoordde het in het nos-artikel scherp. Beijing ziet uitwisseling met het buitenland steeds meer als potentiële kwetsbaarheid. De ironie is dat China’s grootste kracht, het vermogen om ideeën uit de buitenwereld op te nemen en op grote schaal toe te passen, een zwakte kan worden wanneer geopolitieke concurrentie deze kanalen minder voorspelbaar maakt. Beijing wil nog steeds internationale uitwisseling, maar alleen nog maar op haar eigen voorwaarden.

Wie betaalt bepaalt, van NHM tot Staatsolie

Wie wil begrijpen waarom Suriname zo kwetsbaar is voor brain drain en waarom China dat nu met harde wetten probeert te voorkomen, moet terug naar de eigendomsvraag. Van wie is het land eigenlijk. Daar komt de Nederlandsche Handel-Maatschappij in beeld, de nhm, opgericht in 1824 door Koning Willem I en de directe voorloper van ABN AMRO. Het doel was de koloniale handel te monopoliseren.

In Suriname betekende dat heel concreet de suikerplantage en fabriek Mariënburg aan de Commewijne. In 1882 gekocht door de nhm, de grootste plantage van het land met een eigen spoorlijn van twaalf kilometer, de eerste spoorlijn van Suriname. Duizenden Hindoestaanse en Javaanse contractarbeiders werkten er onder leiding van directeur James Mavor, bekend om zijn harde regime. De opstand van Mariënburg op 30 juli 1902, met 24 doden de bloedigste opstand onder contractarbeiders, ging direct over lonen en arbeidsomstandigheden op een plantage van de nhm. De nhm verkocht pas op 1 januari 1964 haar laatste cultuurbelangen in Suriname, Mariënburg en plantage Peperpot.

Dat patroon van eigendom is nooit echt verdwenen, alleen van vorm veranderd. Toen was het suiker en de nhm, daarna bauxiet en Alcoa en Suralco, nu goud met Iamgold en Zijin en offshore olie met TotalEnergies en APA. Staatsolie is Surinaams op papier, maar de technologie, de investeringen en de afzetmarkt zitten bij buitenlandse beursbedrijven. Grondstof eruit, winst eruit, eindproduct weer duur terugkopen. Dat is de definitie van een wingewest, niet als juridische status maar als economische structuur.

Advertenties

De staatsgreep, de lonen en het woord paternalisme

De onafhankelijkheid van 25 november 1975 maakte een einde aan de juridische status van wingewest, maar niet aan de hefbomen. Dat werd pijnlijk zichtbaar na de staatsgreep van 25 februari 1980. De coup van de Groep van 16 onder Desi Bouterse kwam niet uit Den Haag, maar uit onvrede binnen het leger zelf over vakbondsrechten en arbeidsomstandigheden. Wat vaak vergeten wordt is dat het Nationaal Leger tot aan de Decembermoorden in 1982 nog door Nederland werd betaald. Via de suppletieregeling leverde Nederland de wapens en betaalde het de salarissen van het militaire personeel. Een kapitein verdiende toen evenveel als een Surinaamse minister juist door die Nederlandse bijbetaling.

Na de Decembermoorden in Fort Zeelandia bevroor Nederland alle ontwikkelingshulp. De suppletieregeling werd stopgezet om te voorkomen dat Nederland daders zou blijven financieren en in 1987 definitief ingetrokken. Voor de Surinaamse economie betekende dat een klap. Het militaire regime zocht daarna financiering bij de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank zonder resultaat en kwam daarna in de grijze economie terecht met landingsbanen en drugstransporten in het binnenland.

De Binnenlandse Oorlog van 1986 tot 1992 tussen het Nationaal Leger en het Jungle Commando van Ronnie Brunswijk maakte die afhankelijkheid nog zichtbaarder. Brunswijk opereerde vanuit Frans-Guyana, Nederland ontkende wapenleveranties maar erkende humanitaire hulp voor vluchtelingenkampen waar duizenden Marrons zaten. In Paramaribo werd dat gelezen als steun voor de tegenstander.

Het is in die context dat president Ronald Venetiaan het woord paternalisme gebruikte. Venetiaan, president van 1991 tot 1996 en van 2000 tot 2010, bedoelde daarmee dat Nederland Suriname formeel als gelijke zag maar in de praktijk als leerling behandelde. Eerst goed bestuur laten zien, dan pas praten over geld. Dat gevoel van bemoeienis, van voorwaarden stellen terwijl de eigen begroting leeg is, is precies wat veel Surinamers ervaren als gebrek aan echte soevereiniteit.

China’s New Exit Rules Take Effect: Who Could Face Travel Restrictions?

Rotterdam als spiegel van soevereiniteit

Rotterdam voelt die spanning elke dag. Aan de ene kant de haven, de wind, de internationale handel, containers uit Shanghai en bauxiet uit Paranam. Aan de andere kant de straat, waar jongeren met Surinaamse, Chinese en Nederlandse roots dezelfde vraag stellen: waar kan ik mijn talent kwijt zonder te moeten vertrekken.

China kiest nu voor zelfbescherming door afsluiting. Het kan dat doen omdat het schaal heeft, een veto in de VN Veiligheidsraad, een eigen industrie en genoeg economische macht om nee te zeggen tegen druk van buiten. Het voorkomt brain drain door de deur op slot te doen. Dat is begrijpelijk vanuit hun veiligheidsdenken, maar het heeft een prijs. Als wetenschappers zich opgesloten voelen, komen ze misschien ook niet meer terug. Dan voorkom je dat kennis naar het westen vertrekt, maar smoor je ook innovatie in eigen land.

Suriname kan die deur niet op slot doen. Als Paramaribo de grote investeerders nationaliseert, staat de productie morgen stil. Als het zijn diaspora tegenhoudt, verliest het familie en geldtransfers. De onafhankelijkheid is er op papier, maar de positie om die onafhankelijkheid economisch af te dwingen is er nauwelijks. Dat is het verschil tussen formele soevereiniteit en effectieve soevereiniteit. Het ene teken je in 1975, het andere moet je elke dag opnieuw verdienen op de wereldmarkt, aan de Maas en aan de Surinamerivier.

Reacties

Plaats een reactie