Van Surinamers tot Marokkanen: Het patroon van verdeelpolitiek in Nederland

Van Surinamers naar Marokkanen: hoe een etiket elke keer opnieuw wordt geplakt op de Coolsingel

Rotterdam, maandagochtend. De Maas duwt grijze wind tegen de Erasmusbrug aan. Op de Nieuwe Binnenweg schuift de 7-tram langs rolluiken die nog dicht zitten. De stad ruikt naar koffie, diesel en nat beton. Dit is de plek waar het land samenkomt en botst. Havenarbeiders, studenten, ondernemers, hangjongeren. En al vijftig jaar ook: het toneel waar Nederland zijn zondebok kiest. Eerst waren het de Surinamers. Nu de Marokkanen. Het mechanisme is hetzelfde, alleen de namen op het shirt veranderen.

De jaren zeventig: toen de Bijlmer het lab werd voor de rest van het land

Halverwege de jaren zeventig landde de eerste grote golf Surinamers in Nederland. Rotterdam-Zuid, Delfshaven, later de Bijlmer in Amsterdam. Ze kwamen met een Nederlands paspoort, maar kregen een stempel. “Surinamersprobleem” heette het toen. Let op: daarmee bedoelde de media vooral Afro-Surinamers, want dat Nederland multi-etnisch Suriname niet snapte bleek al uit de vraag: “Waarom eten jullie geen roti?” De problemen waren reëel. Werkloosheid, woningnood, verslaving. Maar de diagnose werd niet sociaal-economisch. De diagnose werd cultureel. Niet: deze mensen zitten klem in een kapotte woningmarkt. Wel: Surinamers willen niet werken. En als er dan ook nog een staatsgreep in Paramaribo plaatsvond, moest de buschauffeur in Spangen uitleggen wat Bouterse van plan was. Zo wordt een bevolkingsgroep verantwoordelijk voor een land 7500 kilometer verderop.

Advertenties

De jaren negentig: potenrammers en de media die het shirt uitdeelt

Fast forward naar de jaren negentig. De term “potenrammers” duikt op. Eerst waren het kaalkoppen, Lonsdale-jongeren, extreemrechts. Tot de camera draaide en de dader een Marokkaanse achternaam bleek te hebben. Ineens was het frame gekanteld. Van extreemrechts naar “Marokkaanse jongeren”. Terwijl de gemene deler gewoon was: jongen, straat, groepsdruk, verveling, machocultuur. Geen Mein Kampf, geen Koran, maar ordinaire straathang. Toch verkoopt “jongerenprobleem” niet. “Marokkanenprobleem” wel. Het past in een kop, het geeft een vijand, het verklaart in één woord een ingewikkeld verhaal. En zo werd de relschopper van 17 het gezicht van 400.000 Marokkaanse Nederlanders die gewoon naar school of werk gingen.

Na 2001: toen islam het laatste puzzelstuk werd

Na 9/11 ging het slot erop. Het was niet meer alleen “Marokkaan”. Het werd “Marokkaan” + “islam”. Een politieverhoor haalde het journaal: een opgepakte jongen riep “haram” als excuus voor geweld. Eén op tien zei het misschien, maar die ene haalde de voorpagina. De andere negen die “weet ik niet” of “voor de kick” zeiden, verdwenen in het proces-verbaal. Zo werd religie het frame. De imam in Rotterdam-West die huiswerkbegeleiding organiseerde moest zich verantwoorden voor een IS-video uit Raqqa. De verpleegkundige met hoofddoek werd in één adem genoemd met Syriëgangers. De PVV werd in 2006 opgericht en maakte van die koppeling een politiek programma. Marokkaan en islam werden een geheel. Twee woorden, één stempel.

De interne kaap: hoe salafisme de moskee binnenkwam en iedereen klem zette

Marokko scoort

Tegelijk gebeurde er iets binnen de gemeenschap zelf. Leegte na de ontzuiling, jongeren op zoek naar identiteit, en daar stonden de salafistische predikers. Jong, mediavaardig, zwart-wit. Ervaringstheologie, net zoals de evangelische beweging dat deed bij de kerken. Focus op zuiverheid, wij-zij, afzetten tegen de “corrupte samenleving”. Financiering kwam deels uit Golfstaten, met lespakketten en imams erbij. Dat is geen geheim, dat staat in Kamerstukken en AIVD-rapporten. Het gevolg: de gematigde meerderheid werd dubbel gepakt. Buiten moest je uitleggen dat je geen terrorist was. Binnen moest je je moskee terugvechten op een kleine harde stroming. En ondertussen gebruikten politici elke uitspraak van een Fawaz Jneid om te zeggen: “Zie je wel.” Zo hielden de extremen elkaar in leven, en de gewone leraar in Feijenoord stond ertussenin.

Geopolitiek op de Nieuwe Binnenweg: Syrië, macht en de naweeën

In de jaren tien werd duidelijk dat dit groter was dan Crooswijk of Slotervaart. Syrië, Irak, het grote schaakbord. Saoedi-Arabië, Qatar, Iran, VS, Rusland, Turkije, Israël: iedereen had belangen in een instabiele regio. Uit die oorlog kwamen beelden, uit die beelden kwam angst, uit die angst kwamen stemmen. Of je het nou “zionistisch project” noemt of “geopolitiek gevolg”: het resultaat was dat het Midden-Oosten kapotter was dan ooit, en dat Europa de menselijke rekening kreeg in de vorm van vluchtelingen. En elke nieuwe groep werd het volgende hoofdstuk in hetzelfde boek. Eerst Bosniërs, toen Irakezen, toen Syriërs. En elke keer verschoof het binnenlandse debat verder richting cultuur, identiteit, angst. Dat is de tastbare landing: minder cohesie op het Afrikaanderplein, meer minachting op X, meer radicalisering aan beide flanken, en een veiligheidsgevoel dat per postcode verschilt.

De beloofde verrechtsing: liberalisme als motor van verdeeldheid

En dan de cirkel rond. Eind jaren zestig begonnen we met ontzuiling. De angst voor het rode gevaar hield de boel bij elkaar. Toen viel de Muur. Het rode gevaar weg, dus ruimte voor liberalisme, markt, kleine overheid. Maar een kleine overheid kan geen verenigde, solidaire bevolking aan. Die eist zorg, huis, zekerheid. Een verdeelde bevolking eist minder. Die eist vooral: “bescherm mijn groep”. Dus komt het frame van cultuur, afkomst, religie goed uit. Angst wordt het smeermiddel. Want als jij je buurman wantrouwt, zet je zelf een camera op. Bel je de buurtapp. Regel je eigen veiligheid. En heb je minder politie nodig. Zo grijpt verrechtsing en liberalisering in elkaar. Niet per se als complot, wel als mechanisme. Het halve verhaal op school is: liberalisme = vrijheid. Het hele verhaal is: liberalisme is ook bang voor een massa die samen optrekt.

Romeo’s, media en de feestende menigte: wie maakt het beeld?

Nu staan we hier, 2026, Rotterdam-Centrum na een wedstrijd van Marokko. Tienduizend mensen op de Coolsingel. Vlaggen, toeters, dabke op de stoep. 200 man gaat los: vuurwerk naar de ME, winkelruit eruit. Daartussen lopen de Romeo’s, politie in burger. Hun taak: signaleren, aanhouden maar ook relschoppen om onnodig politie ingrijpen te rechtvaardigen. Hun effect: ze leveren de beelden. Want waar zij ingrijpen, draait de camera. ’s Avonds is de kop niet “Feest grotendeels goed verlopen”. De kop is “Marokkanen-rellen”. De buurvrouw in Breda ziet geen dabke, ze ziet brand. En zo wordt de blijheid van een gemeenschap gekaapt door de escalatie van een paar honderd, en door de lens die erop staat. Niet iedereen is blind. Op de West-Kruiskade weten ze dondersgoed wie wat deed. Maar het land kijkt via het achtuurjournaal.

Johan Derksen hekelt politie na rellen rond WK-duels van Marokko: ‘Ze gaan met ze op de foto!’

De optelsom: van etiket naar straat, van straat naar wet

Dit patroon herhaalt zich nu vijftig jaar. Surinamers, Molukkers, Turken, Marokkanen, asielzoekers. Steeds dezelfde stappen: 1. Groep komt binnen. 2. Aanloopproblemen. 3. Media plakt groepslabel. 4. Kleine groep escaleert. 5. Politiek eist harde aanpak. 6. Meer spanning, meer politie, meer camera. 7. Hele groep betaalt de rekening. De tastbare gevolgen? Minder vertrouwen tussen buren in Bloemhof. Jongeren die solliciteren en eerst hun achternaam moeten overwinnen. Agenten van Marokkaanse afkomst die op de werkvloer én op straat zich moeten bewijzen. En een rechtsstaat die zegt “individu verantwoordelijk” maar in de praktijk “collectief verdacht” uitstraalt.

Rotterdam kan dit dragen, want Rotterdam weet wat haven is: iedereen erin, alles door elkaar, en toch werkt het. Beton en water, handel en straat. Maar als het frame blijft dat gedrag van een kleine groep de eigenschap van een hele bevolkingsgroep is, dan slijt het beton. En dan wint de wind op de Maas het van de cohesie op de stoep.

Reacties

Plaats een reactie