Van islamofobie naar antisemitisme: verschuiving vijandbeeld op sociale media

Rotterdam, 14 november 2025, West-Kruiskade. Een tram rammelt voorbij, scooters snijden door het verkeer, in de snackbar hangt de geur van roti en patat. Op telefoons flikkeren beelden van Gaza, van rook boven gebouwen, van protesten op de Coolsingel. Jongvolwassenen staan in de rij, oortjes in, feed aan. Het conflict is geen ver-van-mijn-bed-show meer. Het zit in je broekzak. En in die feed gebeurt iets wat we moeten benoemen: antisemitisme krijgt een nieuwe boost. Niet, zoals het luie stereotype wil, vanuit moslimgemeenschappen, maar vanuit een andere hoek. Vanuit complotdenken, extreemrechtse netwerken en een harde kern christelijke zionisten die online de volumeknop op 10 zetten.

Van islamofobie naar antisemitisme: het vijandbeeld verschuift op straat

Na 11 september 2001 werd het vijandbeeld in het Westen bijna unisono vastgezet. De moslim was de ander, de potentiële dreiging. Islamofobie werd salonfähig, bespreekbaar gemaakt in talkshows, in verkiezingsprogramma’s, in krantenkoppen. Ook in Rotterdam voelde je dat. Discussies over hoofddoeken op school, over moskeeën in de wijk, over integratie als eenrichtingsverkeer, over radicalisering als containerbegrip. Het frame was simpel: islam als risico.

Bijna een kwart eeuw later werkt dat frame minder. Niet omdat discriminatie verdwenen is, maar omdat de stad het heeft ingehaald. In Rotterdam-Noord, in Antwerpen-Noord, in Paramaribo-Noord is diversiteit geen beleidsnota maar dagelijkse realiteit. Jongvolwassenen zitten in klaslokalen met vijf achtergronden aan één tafel, werken in teams waar een moslim collega net zo vanzelfsprekend is als koffie uit de automaat. Het idee dat “de islam” een existentiële bedreiging vormt, overtuigt minder mensen op de werkvloer, op het ROC, op de markt aan de Binnenrotte.

Advertenties

Wat we daarvoor in de plaats zien, is taai en oud. Antisemitisme is nooit weg geweest, het lag onder het stof, maar het krijgt nu zuurstof. Het straat ritme verandert: waar je vroeger op verjaardagen nog wegkwam met een makkelijke sneer over moslims, hoor je nu in Telegram-groepen, in commentsecties op X en TikTok, een andere riedel. Over elites, over bankiers, over een kleine groep die zogenaamd alles zou sturen. De namen keren steeds terug. Het is een verschuiving van vijandbeeld die je niet alleen in cijfers ziet, maar ook voelt in hoe mensen praten.

Gaza als katalysator: Maasstad voelt wat duizenden kilometers verderop brandt

Gaza functioneert als katalysator. Elke dag nieuwe beelden. Gebombardeerde woonblokken, kinderen onder puin, gijzelaars, persconferenties, protestborden op de Erasmusbrug. Voor veel jonge Rotterdammers is het onmogelijk om neutraal te blijven scrollen. Ze willen positie innemen, maar zoeken naar taal.

De meesten proberen onderscheid te maken tussen Joden als religieuze, culturele gemeenschap en de staat Israël als politieke entiteit met een regering, een leger, beleid. In de praktijk vervaagt dat onderscheid razendsnel. Aan de ene kant wordt kritiek op Israëlisch beleid onmiddellijk gelabeld als antisemitisme, waardoor legitieme vragen over bombardementen, nederzettingenbeleid en bezetting niet meer gesteld mogen worden. Aan de andere kant worden Joden in Rotterdam, Antwerpen of Amsterdam verantwoordelijk gehouden voor beslissingen die in Jeruzalem of Tel Aviv worden genomen.

Die dubbele vervaging polariseert:

Pro-Palestijnse activisten zeggen: onze kritiek gaat over beleid, over mensenrechten, niet over Joden.
Christelijke zionisten reageren fel, vaak met een beschuldigende toon, en zetten kritische stemmen weg als antisemitisch, ook als die kritiek feitelijk onderbouwd is.
Complotdenkers grijpen het momentum om oude antisemitische narratieven te recyclen. Opeens duiken Rothschild en Soros weer op in video’s met dramatische muziek, alsof zij achter elke raket, elke demonstratie, elke krantenkop zitten.

Het gevolg is direct voelbaar voor vrede en veiligheid in de stad. Als het debat zo verhardt, durven mensen minder te zeggen, of juist te veel te schreeuwen. Verdraagzaamheid wordt dunner. Samenleven wordt een mijnenveld van woorden.

Complotdenken als motor: van Protocollen tot Soros en Rothschild

Complotdenken is niet meer een niche in een stoffig achterafzaaltje. Het is mainstream geworden, algoritmisch versterkt. De kern is bijna altijd hetzelfde: complexe problemen worden teruggebracht tot een kleine, geheime elite die alles zou controleren. Het is een oud stereotype met een nieuwe filter.

Jodenvervolging

De namen die circuleren, zijn veelzeggend. George Soros, Joodse miljardair en filantroop, wordt in duizenden posts neergezet als de man achter migratie, achter Black Lives Matter, achter klimaatprotesten. De familie Rothschild, al sinds de 19e eeuw mikpunt in antisemitische pamfletten, wordt opnieuw opgevoerd als bewijs dat bankiers de wereld zouden beheersen. Bill Gates, zelf geen Jood, wordt er in dezelfde adem bijgesleept – van vaccins tot chips in je arm – en zo ontstaat een kluwen waarin Joodse namen disproportioneel opduiken als verklaring voor alles wat misgaat.

Wie hier goed naar kijkt, ziet de echo van de Protocollen van de Wijzen van Sion, die vervalsing uit het begin van de twintigste eeuw waarin Joden werden neergezet als samenzweerders met een wereldplan. De vorm is nieuw – een TikTok met snelle cuts, een thread op X met zogenaamde “receipts” – de inhoud is oud. Het is geen analyse, het is een herverpakking. En het werkt omdat het een simpel verhaal biedt voor ingewikkelde tijden: klimaatstress, woningnood, inflatie, oorlog. Het is makkelijker om één zondebok te benoemen dan een systeem te begrijpen.

Sociale media als brandversneller: wie schreeuwt het hardst, wint het beeld

Sociale media zijn geen neutrale pleinen. Het zijn pleinen met versterkers. En op die pleinen zijn christelijke zionisten uitermate actief. Hun betrokkenheid bij Israël is theologisch gemotiveerd, maar hun online retoriek is vaak keihard, confronterend, zonder ruimte voor nuance. Vrijwel elke kritiek op Israël wordt weggezet als Jodenhaat. De toon is moraliserend, soms intimiderend. Daarmee bedoelen ze Israël te beschermen, maar ze verharden het debat.

Tegelijkertijd gebruiken complotdenkers diezelfde platforms om oude verhalen te koppelen aan actuele gebeurtenissen in Gaza. Een bombardement wordt binnen een uur voorzien van een vermeende verklaring: kijk, daar zit Soros achter. Een protest in Rotterdam wordt gelabeld als betaald, gestuurd, georkestreerd.

Opvallend is de scheve zichtbaarheid. Joodse zionisten zijn online vaak minder luidruchtig of minder georganiseerd in diezelfde harde toon. Daardoor ontstaat een vertekend beeld: de harde, felle retoriek wordt door buitenstaanders gelezen als “de Joodse stem”, terwijl het in veel gevallen christelijke bondgenoten zijn die zich voordoen als spreekbuis, of als morele bewakers van het debat. Dat misverstand is gevaarlijk. Mensen koppelen die agressieve toon aan Joden in het algemeen, en zo groeit aversie tegen een hele groep door het gedrag van een andere groep.

Voor de veiligheid op straat heeft dat consequenties. Als online haat normaliseert, zakt de drempel offline. We zien dat in beveiliging bij synagogen, in dreigmails naar Joodse instellingen, in jongeren die hun davidster onder hun shirt verbergen op weg naar school.

Waarom het demoniseren van moslims minder werkt in de stad van nu

Islamofobie is niet verdwenen. Maar als mobiliserend vijandbeeld verliest het effectiviteit, zeker onder jongvolwassenen. Daar zijn drie nuchtere redenen voor.

Advertenties

Ten eerste: normalisering van diversiteit. In Rotterdam, Den Haag, Brussel is samenleven met moslims geen theorie. Het is je buurman die je helpt met de boodschappen, je collega die ramadan doet, je vriendin die bidt en tegelijk keihard lacht om dezelfde memes. Angstbeelden overleven slecht in een stad waar je elkaar dagelijks tegenkomt.

Ten tweede: generatieverschil. Jongere generaties zijn minder gevoelig voor abstracte dreigingsverhalen over “de islam”. Ze zijn opgegroeid met YouTube, met migratieverhalen van dichtbij, met identiteit als iets gelaagds, niet als één vlag.

Ten derde: focus op andere crises. Klimaat, wooncrisis, schulden, mentale druk, oorlog dichtbij en ver weg. Die thema’s vragen om verklaringen. Complotdenkers bieden een kant-en-klare verklaring waarin Joodse namen als anker fungeren. Het is een verschuiving die je kunt meten in hashtags, maar ook in gesprekken in de tram richting Zuidplein.

Het resultaat is dat de aversie verschuift. Niet omdat moslims ineens heilig zijn verklaard, maar omdat het oude frame minder plakt. De nieuwe lijm is antisemitisme, gevoed door complotdenken en door een harde, polariserende retoriek die het debat gijzelt.

Derde fase van verzet?

Gevolgen voor Joodse gemeenschappen en voor ons samenleven

Voor Joodse gemeenschappen in Nederland, Vlaanderen, Suriname en Caribisch Nederland is dit geen abstracte trend. Het is een dagelijkse afweging. Online haat is zichtbaar en constant: scheldpartijen, bedreigingen, het verantwoordelijk houden van willekeurige Joodse Nederlanders voor militair beleid duizenden kilometers verderop. Fysieke dreiging vraagt om maatregelen: synagogen met camera’s, instellingen met beveiligers, Joodse scholen met onzichtbare protocollen. Sociale isolatie is misschien wel het meest pijnlijk: jongeren die hun identiteit kleiner maken om gedoe te voorkomen.

En hier zit de wrange ironie. De harde retoriek van christelijke zionisten, bedoeld om antisemitisme te bestrijden, kan het versterken. Als elke kritische vraag over Israël meteen als antisemitisme wordt bestempeld, holt dat begrip uit. Mensen raken cynisch, het woord verliest betekenis, en juist daardoor krijgt echte Jodenhaat meer ruimte. Vrede vraagt om taal die onderscheidt. Veiligheid vraagt om precisie. Verdraagzaamheid vraagt om het vermogen om twee dingen tegelijk waar te houden: dat antisemitisme echt en gevaarlijk is, en dat kritiek op een regering legitiem kan zijn.

In Suriname wordt politieke communicatie snel “propaganda” genoemd, een woord dat wantrouwen verraadt. In Nederland en Vlaanderen zeggen we “campagne voeren”, netter, maar het mechanisme is hetzelfde: framing bepaalt wie we zien als mens en wie als bedreiging. Woorden hebben gewicht. Ze kunnen emancipatie dragen, maar ook haat normaliseren.

Misschien vergis ik me. Dat is de hoopvolle noot die ik wil vasthouden. Misschien is deze nieuwe boost van antisemitisme minder massief dan mijn feed doet vermoeden. Misschien zijn er genoeg jonge mensen in Rotterdam, Paramaribo en Antwerpen die door het frame heen prikken, die snappen dat complotdenken een makkelijke uitweg is en dat samenleven vraagt om lastige gesprekken. Zij groeien op met de Maas als metafoor: altijd in beweging, soms troebel, maar altijd doorstromend. Zij hebben de kans om niet mee te gaan in oude stereotypes, maar elkaar te blijven zien als buren, niet als symbolen. Dat is geen naïviteit. Dat is een keuze voor vrede, voor veiligheid, voor verdraagzaamheid in de straat waar we allemaal wonen.

Reacties

Geef een reactie