Walter Rodney, Blair Peach en LKJ: geschiedenis via reggae

Wie is Linton Kwesi Johnson en waarom klinkt hij als beton en bas

Rotterdam – Linton Kwesi Johnson is geen zanger in de klassieke zin. Hij zingt niet, hij draagt voor. Zijn stem is droog, precies en zwaar van betekenis, gelegd over een dubritme dat klinkt alsof het uit een kelderbox in Brixton komt en door de muren van een flat in Rotterdam-Zuid galmt. LKJ, geboren in 1952 op Jamaica en opgegroeid in Brixton, Zuid-Londen, is de grondlegger van de dub poetry. Dat is geen subgenre van reggae voor de liefhebber, maar een eigen vorm waarin journalistiek, poëzie en straatverslag samenkomen. Geen refrein dat je meezingt, maar woorden die blijven hangen omdat ze beschrijven wat er gebeurt wanneer de staat te dicht op de huid van de wijk komt te zitten.

In een tijd waarin in Nederland, Vlaanderen, Suriname en Caribisch Nederland opnieuw fel wordt gesproken over racisme, politieoptreden en de doorwerking van het koloniale verleden, is dat werk geen archiefmateriaal. Het is een werkend instrument. Zijn optreden op het Chiemsee Reggae Festival in 1999 laat dat precies zien. Daar staat geen entertainer. Daar staat iemand die uitlegt hoe cultuur overleeft wanneer de gemeente, de politie en de pers liever hebben dat ze verdwijnt. In Rotterdam herkennen we die dynamiek. Een stad die is gebouwd op handel, logistiek, haven en industrie heeft altijd spanning gehad tussen wat van bovenaf wordt gepland en wat op straat wordt geleefd. LKJ legt die spanning bloot zonder te schreeuwen. Hij laat de bas het werk doen.

Advertenties

Sonny’s Lettah en de prijs van ingrijpen wanneer Babylon de wijk binnenkomt

Het optreden op Chiemsee opent met Sonny’s Lettah, een van zijn meest gedoceerde teksten. De vorm is een brief van een gevangene aan zijn moeder. De inhoud is rauw en procedureel tegelijk. Een jongere broer wordt door de politie mishandeld. De oudere broer grijpt in, niet uit stoerheid maar omdat stilstaan geen optie meer is. Hij wordt zelf gearresteerd op verdenking van moord. De zin die blijft hangen, Mama, I just couldn’t stand up there and do nothing, is geen retoriek. Het is een beschrijving van een moreel kantelpunt dat veel jongeren in wijken met veel toezicht en weinig vertrouwen in instituties herkennen.

In rastacultuur wordt het systeem aangeduid als Babylon. Dat is geen vaag begrip, maar een manier om een keten te benoemen: wetgeving, handhaving, beeldvorming en economische uitsluiting die samen bepalen wie als risico wordt gezien. Wanneer LKJ over politiegeweld schrijft, schrijft hij dus niet alleen over een incident. Hij schrijft over de gevolgen daarna. Een strafblad dat een baan in de haven of de logistiek onmogelijk maakt. Een buurt die als onveilig wordt gelabeld waardoor investeringen wegblijven. Een gezin waar de koopkracht onder druk komt omdat een kostwinner vastzit in procedures. Die vertaalslag van incident naar structuur maakt Sonny’s Lettah relevant van Londen tot Tilburg, van Paramaribo tot Curaçao. Het gaat over wat er gebeurt wanneer ingrijpen strafbaar wordt en wegkijken de norm.

Notting Hill Carnival, Forces of Victory en de strijd om ruimte in de stad

Brixton

Een tweede kernstuk in zijn repertoire is de strijd om de Notting Hill Carnival. Vandaag zien veel mensen dat als een toeristisch feest met sound systems en kleurrijke kostuums. In de jaren zeventig en tachtig was het een regelrechte onderhandeling om bestaansrecht. De gemeente Londen en de politie zagen de Carnival niet als cultureel erfgoed, maar als ordeprobleem. Zwarte Britten uit de Cariben moesten letterlijk vechten voor vergunningen, routes en veiligheid. Dat is geen detail uit de Britse geschiedenis, maar een blauwdruk voor hoe migranten cultuur in Europese steden ruimte moet bevechten.

Rotterdam kent diezelfde geschiedenis. Denk aan de discussies rond Keti Koti, rond Dunya Festival, rond straatfeesten in Delfshaven of op het Afrikaanderplein. Wie mag de straat gebruiken, wie bepaalt het geluidsniveau, wie bepaalt wat cultuur is en wat overlast. In Forces of Victory verwoordt LKJ die strijd als collectieve zelfverdediging. We’re the forces of victory, now what you gonna do, is geen kreet om confrontatie, maar een vraag over organisatie. Over wat er gebeurt wanneer mensen uit een wijk, met verschillende eilanden en achtergronden, besluiten dat ze samen een infrastructuur bouwen. Een eigen podium, eigen beveiliging, eigen economie rond een evenement. In een havenstad waar alles draait om wie de kade, het magazijn en de route controleert, is dat een herkenbare les. Culturele ruimte is ook economische ruimte. Wie het feest organiseert, organiseert ook werk, handel en zichtbaarheid.

Geschiedenis met een soundsystem: Blair Peach, Walter Rodney en de les uit de straat

LKJ is naast dichter ook een archief. In zijn werk zitten namen die in het reguliere onderwijs nauwelijks voorkomen, maar die op straat en in activistische kringen worden doorgegeven. Tijdens zijn optredens refereert hij aan Blair Peach, een leraar uit Nieuw-Zeeland die in 1979 omkwam tijdens een demonstratie tegen het National Front in Southall. Peach werd geraakt door de politie. Zijn dood is een casus geworden over hoe demonstratierecht, politiegeweld en verantwoording samenkomen. Het is ook een verhaal over solidariteit over kleurgrenzen heen, een witte leraar die meeloopt in een antiracisme demonstratie in een overwegend Aziatische en zwarte wijk.

Een andere naam is Walter Rodney, de Guyanese historicus en activist die in How Europe Underdeveloped Africa beschreef hoe koloniale handel, inclusief de trans-Atlantische slavenhandel en latere grondstofonttrekking, Afrika structureel heeft verarmd. Rodney is in 1980 vermoord in Guyana. LKJ gebruikt hem niet als voetnoot, maar als kompas. In Rotterdam, een stad die groot is geworden door koloniale handel en nu probeert te herdefiniëren wat haar havenverleden betekent, is dat geen abstracte theorie. Het gaat over de vraag waar welvaart vandaan komt en waar die is blijven hangen. Het gaat over de Maas die goederen aanvoert, maar ook over de wijken rond de Maas waar die welvaart niet altijd landt. De kracht van LKJ is dat hij die grote lijnen vertaalt naar een baslijn en een stem. Geschiedenis wordt daardoor geen les uit een boek, maar iets dat je voelt in je borstkas wanneer de subwoofer trilt.

Advertenties

Van Brixton naar Rotterdam-Zuid, Delfshaven en de Bijlmer

De parallellen tussen Brixton in de jaren tachtig en Rotterdam-Zuid, Delfshaven of de Bijlmer vandaag zijn niet één op één, maar de mechanismen lijken op elkaar. Het gaat om wijken waar veel mensen wonen met een migratieachtergrond uit Suriname, de Antillen, Kaapverdië, Marokko en Turkije, waar de huren stijgen, waar de politie zichtbaarder is dan de wijkagent van vroeger, en waar jongeren sneller als verdacht worden gezien dan als talent. De Britse discussie over sus laws, het staande houden op basis van verdenking, heeft een Nederlandse variant gekregen in de discussie over etnisch profileren en preventief fouilleren.

LKJ beschrijft ook de invloed van internationale ontwikkelingen zoals de crackepidemie in de Verenigde Staten in de jaren tachtig, die door journalist Gary Webb werd gelinkt aan CIA-betrokkenheid en Contra-financiering. Die epidemie veranderde niet alleen Amerikaanse binnensteden, maar ook het beeld van zwarte gemeenschappen in Europa. Het woord drugs kreeg een kleur en een postcode. In Rotterdam betekende dat concreet dat hele wijken in de media werden weggezet als probleemgebied, wat gevolgen had voor de waarde van woningen, voor de bereidheid van werkgevers om iemand uit die wijk aan te nemen, en voor het gevoel van veiligheid van bewoners zelf. De Rasta-filosofie die LKJ uitdraagt, met nadruk op spiritualiteit, zelfdiscipline en gemeenschap, was in die context geen esoterie, maar een antwoord. Geen passief geloof, maar een actieve houding van reinheid, onafhankelijkheid en het weigeren om mee te werken aan je eigen afbraak.

Linton Kwesi Johnson – Chiemsee Reggae 1999

Identiteit als gereedschap in een stad van handel en haven

In het huidige debat over identiteitspolitiek wordt identiteit vaak neergezet als ofwel bevrijding ofwel beperking. LKJ biedt een derde positie. Identiteit is gereedschap. Je gebruikt het om te bouwen, niet alleen om te benoemen. Hij reduceert zichzelf nooit tot slachtoffer, ook niet wanneer hij over slachtoffers schrijft. Zijn zin We fight them back gaat niet over haat, maar over infrastructuur. Je vecht terug met een eigen uitgeverij, een eigen label, een eigen festival, een eigen school. Je vecht terug door te zorgen dat je kinderen weten wie Walter Rodney was voordat ze horen wie een willekeurige popster is.

Dat is een Rotterdamse les bij uitstek. Deze stad respecteert geen grote woorden, maar wel resultaat. Handel, logistiek, vakmanschap. Een identiteit die alleen op sociale media bestaat, waait weg met de wind over de Maasvlakte. Een identiteit die wordt omgezet in een studio, een winkel, een opleiding, een baan in de culturele sector of in de haven, blijft staan. LKJ laat zien hoe je woede omzet in organisatie zonder je woede te verloochenen. Hij is geen moralist die van bovenaf vertelt hoe het moet. Hij is een man uit de wijk die heeft gezien wat er gebeurt wanneer een gemeenschap geen eigen verhaal heeft en daarom het verhaal van anderen moet dragen.

Voor een breed Nederlandstalig publiek van Groningen tot Gent, van Paramaribo tot Philipsburg, is dat de kern van zijn actualiteit. Linton Kwesi Johnson is geen nostalgische act voor liefhebbers van roots reggae. Hij is een analyst van de stad, van macht en van verzet, die zijn analyses verpakt in een vorm die werkt op een soundsystem en in een klaslokaal. Zijn optreden uit 1999 klinkt daardoor niet gedateerd, maar als een blauwdruk die nog steeds toepasbaar is. In een stad van beton, wind en water, waar iedereen wordt afgerekend op wat hij neerzet, is dat precies de energie die blijft werken.

Reacties

Plaats een reactie