Rotterdam, 15 mei 2025, Pleinweg, ochtend. De tram naar Zuidplein schuurt langs, de geur van broodjes van de Turkse bakker, een stapel kranten bij de kapper met koppen over Brussel. Op de stoep hoor je het in halve zinnen. “Ze in Brussel beslissen weer.” “Ons land moet weer van ons worden.” Het zijn zinnen die klein beginnen, op straat, in de wachtrij, en groot eindigen in stemhokjes in EU-landen van Boedapest tot Parijs. Dit stuk gaat over die driehoeksverhouding die iedereen voelt maar weinigen scherp krijgen: nationalisme, extreemrechts en de EU. Wat het betekent, waar het schuurt, en wat het kost in je baan, je veiligheid, je thuisland en je welvaart.
Nationalisme begint niet in een boek, maar op de stoep langs de Maas
Nationalisme is in de kern geen theorie uit een collegezaal. Het is het gevoel dat je ergens bij hoort. Dezelfde taal op het schoolplein, dezelfde verhalen van je opa over de haven, dezelfde liedjes op Koningsdag. Het gaat om cultuur en identiteit die je niet hoeft uit te leggen omdat iedereen om je heen hem snapt. Dat is de kracht ervan. In Rotterdam zie je het elke dag. Feyenoord-sjaals, Surinaamse roti die naast Vlaamse friet staat, Marokkaanse thee in een bruin café in Crooswijk. Dat is nationalisme in de milde vorm: trots zonder haat, verbondenheid zonder dat je iemand buiten hoeft te sluiten.
Dat gevoel kan dragen. Het geeft mensen houvast als de wereld snel verandert. Als de huur omhoog gaat, als je contract tijdelijk is, als je kind tweetalig opgroeit. Dan is het idee van een thuisland, een plek waar je naam en je geschiedenis iets betekenen, geen luxe maar noodzaak. Nationalisme wordt pas een probleem als het omslaat in een wij-zij machine. Als je eigen cultuur niet alleen uniek wordt, maar superieur. Dan komt de kou erin. Dan worden buren vreemdelingen en vreemdelingen bedreigingen. En dat is precies het kantelpunt waar de straat en de ideologie elkaar raken.
Extreemrechts is niet alleen harder schreeuwen, het is een andere ideologie
Veel mensen gooien nationalisme en extreemrechts op één hoop. Dat is te makkelijk en ook gevaarlijk, want je mist de schakels. Extreemrechts pakt nationalisme op, maar plakt er andere onderdelen aan vast die het geheel veranderen. Autoritarisme: het geloof dat één sterke leider het wel even fixt, ook als dat ten koste gaat van je vrijheid. Xenofobie: het systematisch aanwijzen van een buitenstaander als oorzaak van je problemen, meestal de migrant. Racisme: het idee dat sommige mensen van nature meer waard zijn. En een conservatieve kramp: vasthouden aan hoe het vroeger was, terwijl de stad allang verder is.

Op Zuid, op Noord, in de rij bij de gemeente, hoor je hoe dat werkt. Het begint met een terechte klacht: mijn baan is onzeker, mijn wijk verandert te snel, ik herken mijn straat niet meer. Extreemrechts geeft daar een simpel antwoord op met een zondebok. Niet de flexcontracten, niet de woningmarkt die kapot is gespeculeerd, maar de ander. In Nederland, in Vlaanderen, in EU-landen als Italië en Frankrijk, zie je dezelfde truc. Het is een ideologie die inspeelt op onderbuik en die vertaalt naar politiek. Daarom moet je onderscheid maken. Je kunt trots zijn op je land, op je cultuur, op je identiteit, zonder autoritair, xenofoob of racistisch te zijn. De meeste mensen zijn dat ook. Het probleem is dat extreemrechts die trots kaapt en ombouwt tot wapen.
Nationaal-socialisme en fascisme: de geschiedenis die nog steeds in de straatstenen zit
Als we het over de donkere kant hebben, moeten we de namen voluit durven zeggen. Nationaal-socialisme en fascisme zijn geen abstracties. Het zijn de meest extreme uitwerkingen van dat gekaapte nationalisme, vermengd met totale staatscontrole. Onder Hitler werd het nationaal-socialisme een moordmachine. De Holocaust, de systematische vernietiging van zes miljoen Joden en miljoenen anderen, is het bewijs wat er gebeurt als het idee van een zuivere natie tot het einde wordt doorgetrokken. Onder Mussolini werd fascisme de knuppel waarmee elke tegenstander werd neergeslagen, met een agressieve buitenlandse politiek die eindigde in oorlog.
In Rotterdam hoef je dat niemand uit te leggen. De stad is gebombardeerd, platgelegd, opnieuw opgebouwd. De Maas herinnert elke dag aan breuk en doorbouwen. Daarom klinkt hier het woord thuisland anders dan in een talkshow in Brussel. Thuisland is hier letterlijk thuis dat weg was. Welvaart is hier letterlijk opbouw uit puin. Veiligheid is hier geen abstract begrip maar een stad die leerde dat als je de rechtsstaat opgeeft voor een sterke man, je alles kwijt bent: je baan, je huis, je buren. Die geschiedenis moet je meenemen als je vandaag naar extreemrechts kijkt. Niet om iedereen die kritisch is op de EU meteen fascist te noemen, maar om scherp te blijven waar de grens ligt.
De EU als zondebok: waarom Brussel voor nationalisten zo handig is
De Europese Unie is voor veel Rotterdammers een ver-van-mijn-bed-show met een directe portemonnee-impact. Regels over handel, over landbouw, over milieu, over veiligheid. Het idee was simpel: na de oorlog nooit meer oorlog, dus samenwerken, welvaart delen, vrede bewaken. In de praktijk voelt het anders. Voor een chauffeur in Charlois die zijn dieselbus niet meer de stad in krijgt, is Europa niet een droom maar een regel. Voor een tuinder in het Westland die formulieren moet invullen voor subsidie, is Brussel bureaucratie.
Nationalisten voelen dat feilloos aan. Ze zeggen: kijk, jullie geven je soevereiniteit weg. Jullie mogen niet meer zelf beslissen over wie hier komt werken, wat we bouwen, hoe we wonen. Voor extreemrechtse partijen in EU-landen is dat goud. Ze maken van de EU de boeman. Nexit hier, Frexit daar, de EU afschaffen of uitkleden. Het werkt omdat het een tastbaar gevolg koppelt aan een abstracte instelling. Minder Brussel is in die retoriek meteen meer baan, meer veiligheid, meer controle over je eigen thuisland. Maar de rekensom klopt zelden. Rotterdam draait op de haven, en de haven draait op EU-handel. Onze welvaart, onze banen in logistiek, transport, techniek, zorg, hangen direct aan diezelfde Unie. Je kunt boos zijn op Brussel en tegelijk afhankelijk zijn van Brussel. Die spanning moet je benoemen.
De driehoeksverhouding in de praktijk: hoe straatgevoel politiek wordt
Hier komt alles samen. Nationalisme kan een voedingsbodem zijn, maar het hoeft geen gif te zijn. Het wordt gif als extreemrechts het oppikt en richt op de EU als eindvijand. Dan krijg je de driehoeksverhouding waar we nu middenin zitten. Een partij zegt: onze cultuur en identiteit worden bedreigd. De schuldige: immigratie. De aanstichter: de EU die de grenzen openzet. De oplossing: grenzen dicht, eigen land eerst, weg uit Europa of Europa op slot. Het is een verhaallijn die lekker bekt op een poster en die in de kroeg snel wordt doorverteld.
De gevolgen zijn niet abstract. Als die politiek wint, verandert er iets in je dagelijks leven. Werkgevers in de haven weten niet meer waar ze aan toe zijn, investeringen worden uitgesteld, je baan wordt onzekerder. Veiligheid wordt niet groter maar kleiner, want samenwerken met andere EU-landen over drugshandel, mensensmokkel en online criminaliteit wordt moeilijker. Je thuisland voelt misschien retorisch meer van jou, maar praktisch wordt het armer en geïsoleerder. Welvaart is geen vlag, het is je loonstrook, je huur die betaald kan worden, je kind dat stage kan lopen in Antwerpen of Curaçao.
Daarom moet de analyse altijd terug naar de straat. In een stad als Rotterdam, met de Maas als open ader naar de wereld, kun je niet doen alsof je een eiland bent. We zijn een stad van aankomst, al honderd jaar. Vlaanderen, Suriname en Caribisch Nederland kennen diezelfde realiteit. Antwerpen leeft van de Schelde zoals wij van de Maas leven. Paramaribo weet wat het betekent als je identiteit wordt bepaald door meerdere culturen die naast elkaar bestaan. Kralendijk en Oranjestad weten dat je welvaart afhangt van verbinding, niet van afsluiting. Het verhaal dat je je cultuur alleen kunt beschermen door je af te sluiten, klopt niet met hoe deze steden leven.
De vraag is dus niet of je trots mag zijn op je land. Natuurlijk mag dat. De vraag is wat je met die trots doet. Gebruik je hem om samen te bouwen, om banen veilig te stellen, om te zorgen dat je buurt veilig is voor iedereen? Of gebruik je hem om te verdelen, om mensen tegen elkaar op te zetten, om de schuld buiten jezelf te leggen? De geschiedenis van nationaal-socialisme en fascisme laat zien waar het tweede pad eindigt. De dagelijkse realiteit van EU-landen laat zien dat het eerste pad moeilijk is, maar wel werkt. En dat is precies de keuze die nu voorligt, van de Coolsingel tot aan de kades van de Maas.





Geef een reactie