Waar de Maas naar Frankrijk ruikt
Rotterdam, 10 mei 2025. Loop op een ochtend over de Maaskade, wind in je gezicht, containers op de rivier, en je ruikt het meteen: olie, staal, zweet. Dat is Rotterdam. En dat is ook Frankrijk, alleen tweehonderd jaar eerder. De Franse werkende klasse is niet ontstaan in een boek, maar op een fabrieksvloer waar een jongen van veertien zijn vingers verloor tussen de tandwielen. De industriële revolutie die in de 18e eeuw Frankrijk binnensloeg, is dezelfde beweging die later de havens aan de Maas zou laten draaien.
Mensen trokken weg van het land. Van akkers naar steden, van dorsen naar draaien. Parijs, Lyon, Lille werden wat Rotterdam later werd: magneet voor wie een baan zoekt. Die nieuwe sociale laag had geen naam, alleen een plek: onderaan. De arbeidersklasse was geboren, niet omdat iemand het zo bedacht had, maar omdat fabrieken mensen nodig hadden die goedkoop waren en stil bleven. Alleen bleven ze niet stil. De eerste eis was simpel en lichamelijk: arbeidsrechten. Niet sterven op je werk. Niet twaalf uur staan voor een loon waar je je kinderen niet van kunt voeden. Daar begint elke arbeidersbeweging, in Frankrijk net als op Katendrecht.
De Franse revolutie was geen praatje over vrijheid, het was honger
1789 wordt vaak verkocht als een verhaal van verlichte heren met pruiken die over vrijheid debatteren. Op straat was het anders. De werkende klasse in Parijs had geen theorie, wel een lege maag en een rekening die niet klopte. Toen de Bastille viel, viel die niet voor een idee, maar voor brood, voor zekerheid, voor gelijkheid die je kunt voelen in je portemonnee.
De Franse revolutie laat zien wat er gebeurt als de kloof tussen boven en beneden te groot wordt. De aristocratie at, de arbeiders betaalden. De roep om vrijheid was geen abstracte leus, het was de eis om mee te mogen praten over je eigen leven. Dat is de kern die tot vandaag doorloopt in elke sociale strijd in Frankrijk: wie beslist er over mijn baan, mijn dag, mijn toekomst? De revolutie gaf geen eindantwoord, maar zette de deur open. Vanaf dat moment wist de werkende klasse dat macht niet vanzelf komt, je moet hem afdwingen. Dat besef is de motor van de hele arbeidersbeweging.
De Commune van Parijs: zeventig dagen dat arbeiders zelf de stad draaiden
Na de Frans-Duitse Oorlog, in 1871, gebeurde er iets wat in de geschiedenisboeken klein lijkt, maar op straat enorm was. De Parijzenaren namen Parijs over. Geen koning, geen keizer, geen generaal. De Commune van Parijs. Voor het eerst bestuurde de werkende klasse zelf een stad.

Ze probeerden wat in elke kantine nog steeds wordt besproken: kan het anders? Kortere werkdagen, gelijke lonen, scholen voor iedereen, fabrieken die niet alleen voor de eigenaar draaien. Het was rommelig, ruzieachtig, soms naïef, maar het was echt. De arbeiders lieten zien dat sociaal geen liefdadigheid is, maar een manier van organiseren.
De regering in Versailles sloeg het met grof geweld neer. Duizenden doden in één week. Maar de gedachte bleef liggen op de kasseien. In Marseille fluisterden havenarbeiders erover, in de mijnen van het noorden werd het doorverteld. Het idee dat je zelf de sleutels van de stad kunt hebben, ook al is het maar zeventig dagen, is sterker dan elk kanon. Die erfenis zie je terug in elke staking waar arbeiders zeggen: wij houden deze boel draaiende, zonder ons staat alles stil.
Van Marx in de kroeg naar minimumloon op je loonstrook
Eind 19e, begin 20e eeuw kreeg de woede een adres. Socialistische en communistische bewegingen, vakbonden, partijen als de Franse Communistische Partij. Marx en Engels hadden de analyse al op papier gezet: er is een klassenstrijd, en als de werkende klasse zich niet organiseert, wordt ze georganiseerd door anderen.
Wat begon als pamfletten in rokerige cafés, werd harde praktijk. Vakbonden gingen eisen stellen die vandaag vanzelfsprekend lijken maar toen revolutionair waren: een baan met vaste uren, zekerheid bij ziekte, een minimumloon waar je van kunt leven. Stakingen werden het wapen. Niet omdat arbeiders van conflict houden, maar omdat praten alleen niet helpt als de ander je loon bepaalt.
Die periode leerde één les die ook in Rotterdam-Zuid elke dag telt: zonder collectief geen gelijkheid. Eén man die vraagt om meer loon wordt weggestuurd. Duizend mannen die hun werk neerleggen, krijgen een onderhandeling. De arbeidersbeweging in Frankrijk professionaliseerde die kracht. Het werd minder spontaan, meer strategisch. En het werkte. Arbeidsrechten die we nu in heel Europa kennen, van achturige werkdag tot ontslagbescherming, zijn daar uitgevochten.
Mei 68: toen studenten en arbeiders dezelfde straat namen
Mei 68 wordt vaak gereduceerd tot foto’s van studenten die stenen gooien op de Boulevard Saint-Michel. Maar de echte klap kwam toen de fabrieken dichtgingen. Wat begon als protest tegen een stoffig onderwijssysteem en een consumptiemaatschappij die mensen klein hield, sloot aan bij de werkende klasse. Miljoenen arbeiders legden het werk neer. Niet voor een paar procent erbij, maar voor de vraag: wat voor samenleving willen we eigenlijk?
De geest van mei 68 was lichamelijk. Het was lawaai, bezette fabriekshallen, nachtenlang vergaderen op de vloer. De eisen gingen verder dan loon: zeggenschap over je werk, vrijheid om niet alleen maar radertje te zijn, een sociaal leven dat niet alleen bestaat uit werken en slapen. De overheid en de bazen gaven toe, niet uit goedheid, maar omdat de economie stilviel. Lonen gingen omhoog, het minimumloon werd verhoogd, onderwijshervormingen kwamen er.
Voor de Franse arbeidersbeweging was mei 68 een bevestiging: als je de straat en de werkplaats tegelijk pakt, beweegt de macht. Die energie leeft nu nog in Frankrijk. Als een president het over pensioenhervorming heeft, weet hij dat hij niet alleen een wet tekent, maar een stad als Lyon stil kan zetten.
Van Loi Travail tot gele hesjes: de werkende klasse is niet moe
Wie denkt dat de geschiedenis klaar is, heeft de afgelopen tien jaar niet gekeken. In 2016 gingen tienduizenden Fransen de straat op tegen de Loi Travail, een arbeidswet die de bescherming van werknemers uitholde. Vertaald naar Rotterdams: makkelijker ontslaan, langer laten doorwerken, minder zekerheid. Precies die drie woorden die elke baan bepalen: baan, zekerheid, gelijkheid.
Twee jaar later kwamen de gele hesjes. Het begon met brandstofprijzen, maar het ging al snel over alles: het gevoel dat je werkt, maar niet vooruitkomt. Dat je minimumloon stijgt op papier, maar je huur en je boodschappen harder stijgen. De gele hesjes waren geen partij, geen vakbond, geen strak plan. Het waren arbeiders, chauffeurs, verzorgenden, mensen die elke dag de wekker zetten en toch het einde van de maand niet halen. Ze blokkeerden rotondes, net zoals in Frankrijk altijd al rotondes en pleinen de plekken zijn waar macht wordt bevraagd.
Recent weer hetzelfde beeld bij pensioenprotesten. Tienduizenden op straat omdat de regering beslist dat je langer moet werken zonder dat je zelf aan tafel zit. Het patroon is oud en actueel tegelijk: de Franse werkende klasse pikt het niet als vrijheid alleen geldt voor wie het kan betalen, en sociaal alleen een woord in een speech is.
Wat Frankrijk ons aan de Maas leert
De geschiedenis van de Franse werkende klasse is geen museumstuk. Het is een spiegel voor elke stad die draait op arbeid. Rotterdam weet dat als geen ander. Zonder arbeiders geen haven, geen Maas, geen stad.
Wat Frankrijk laat zien, van industriële revolutie tot gele hesjes, is dat arbeidsrechten nooit cadeau zijn geweest. Ze zijn afgedwongen. De Franse revolutie gaf de taal van vrijheid en gelijkheid, de Commune liet zien dat arbeiders zelf kunnen besturen, de vakbonden vertaalden dat naar vaste contracten en een fatsoenlijk minimumloon, en mei 68 herinnerde eraan dat werk ook over waardigheid gaat.
De strijd gaat altijd over hetzelfde tastbare rijtje: heb ik een baan die blijft, heb ik zekerheid als ik ziek word, is er gelijkheid tussen wie aan de lopende band staat en wie de winst telt, en kan ik leven van mijn minimumloon. Als dat wankelt, wankelt alles. Frankrijk bewijst dat de werkende klasse dan niet verdwijnt, maar terugkomt, luider, met meer mensen, met dezelfde eis als tweehonderd jaar geleden: tel ons mee.





Geef een reactie