Wat een generatie werkelijk is, als je het op straat ziet
Rotterdam, 1 februari 2025. Een generatie is op papier een jaartal. In de praktijk is het een houding. Het is hoe mensen kijken, hoe ze praten over werk, hoe ze hun kinderen grootbrengen en hoe ze omgaan met tegenslag. Elke generatie in Nederland heeft dezelfde wind in het gezicht gehad, maar er anders op gereageerd. Dat zie je het best in Rotterdam. Daar waar de Maas de stad in tweeën snijdt en weer aan elkaar naait, waar elke wijk zijn eigen tempo heeft, waar vorming niet uit een boekje komt maar uit het leven op de stoep. De straat leert je dat een generatie geen label is, maar een spier die je traint. En dat spierweefsel bepaalt onze economische ontwikkeling, onze manier van denken over de lange termijn en hoe we macht en onmacht verdelen.
De Stille Generatie 1928-1945: discipline als fundament onder de stad
Deze generatie groeide op tussen schaarste en wederopbouw. Rotterdammers weten wat dat betekent, de stad lag plat en moest steen voor steen terug. De Stille Generatie had geen ruimte voor grote woorden. Hun opvoeding was sober, hun doeleinden waren helder: werken, sparen, trouw blijven. Ze kenden plichtsbesef niet als slogan maar als dagelijks ritme, vroeg op, lang door. Het respect voor autoriteit zat erin, niet uit angst maar uit noodzaak, iemand moest de boel bij elkaar houden. In die bescheidenheid zat kracht. Ze bleven bij dezelfde baas, bij dezelfde club, bij dezelfde overtuiging. Hun economische ontwikkeling was geen sprint maar fundering heien. Op de lange termijn legden zij de betonnen plaat waarop wij nu nog lopen. Hun macht was stil, hun onmacht werd niet uitgesproken. En juist daarom is hun invloed zo groot geweest in elke wijk die na de oorlog opnieuw moest leren ademen.
De Babyboomers 1945-1955: idealisme dat de straat op ging
Na de oorlog kwam de adem terug. De Babyboomers werden geboren in volle wederopbouw en zagen hoe Nederland zich losmaakte van de zuilen. In Rotterdam zag je het in het straatbeeld, katholiek of protestants werd minder belangrijk dan wat je samen bouwde. Deze generatie had brood en had tijd en dus kreeg ze ideeën. Ze gingen de straat op, letterlijk. Protest, inspraak, tweede feministische golf, milieubewustzijn, het waren geen abstracte begrippen maar gesprekken aan de keukentafel en op het plein. Hun opvoeding van hun eigen kinderen werd vrijer, hun doeleinden groter dan alleen een vast contract. Ze stuwden de consumptiemaatschappij, maar ook het onderwijs en de sociale zekerheid. Economisch waren het de jaren van groei, huizen, auto’s, studiefinanciering. Op de lange termijn hebben ze de vrije tijd uitgevonden zoals wij die nu kennen, tijd om na te denken over wie je wilt zijn. Hun macht zat in aantallen, hun onmacht in de vraag of idealen standhouden als de wind draait. Dat straat ritme van demonstreren en weer opbouwen is typisch Rotterdams, niet lullen maar schuiven.
De Verloren Generatie 1955-1970: nuchter worden toen het tegenzat
Toen kwam de klap. Oliecrisis, werkloosheid, de belofte van eindeloze groei bleek broos. De generatie die nu tussen 1955 en 1970 wordt gezet, vaak de Verloren Generatie of Generatie Nix genoemd, leerde dat zekerheid geen recht is. Voor veel Rotterdammers betekende dat de haven minder draaide en de toekomst minder vast lag. Hun antwoord was geen grote ideologie maar pragmatisme. Zelfredzaamheid. Minder vertrouwen in instituties, meer vertrouwen in eigen kunnen. Individualisme werd geen luxe maar noodzaak. Hun vorming gebeurde niet via een vast pad maar via omwegen, bijbanen, omscholing, proberen. Dat zie je terug in hoe zij de arbeidsmarkt hebben veranderd, flexibeler, informeler, minder hiërarchie. Hun economische ontwikkeling was geen rechte lijn, hun doeleinden werden kleiner en daardoor haalbaarder. Op de lange termijn hebben ze geleerd hoe je macht en onmacht naast elkaar laat bestaan zonder eraan onderdoor te gaan. Geen grote verhalen, wel overeind blijven als het waait.
Generatie X 1970-1985: de frietgeneratie die digitaal leerde kijken

Generatie X groeide op tussen twee werelden. Nog buiten spelen tot het donker werd, maar binnen stond ineens een Commodore. In de Rotterdamse wijken zag je kinderen met sleutels om hun nek, beide ouders aan het werk, zelf koken, zelf regelen. Dat maakte deze generatie onafhankelijk en ondernemend. Ze worden ook wel Frietgeneratie genoemd, opgegroeid met snelle hap en snelle veranderingen. Globalisering, Walkman, pc, mobiele telefoon, alles kwam tegelijk. Hun opvoeding was minder strak geregisseerd, hun doeleinden werden persoonlijker, niet het bedrijf maar je eigen pad. Ze waren de eerste die echt digitaal begonnen te denken, niet als trucje maar als taal. Op economisch vlak zijn zij de brug tussen analoog kapitaal en digitaal kapitaal, ze bouwden de eerste webshops, de eerste start-ups, de eerste netwerken. Op de lange termijn hebben ze geleerd dat stabiliteit niet komt van een vaste baan maar van kunnen schakelen. Hun macht zat in aanpassingsvermogen, hun onmacht in dat ze altijd tussen wal en schip vielen, te jong voor de oude zekerheden, te oud om als digital native te worden geboren. Toch is hun straat ritme misschien wel het meest Rotterdams, gewoon doen, kijken of het werkt.
Generatie Y 1986-2000: millennials tussen ambitie en ademruimte
Millennials kregen eerst de wind mee en daarna vol in het gezicht. Economische groei, internet, sociale media, alles leek mogelijk, tot de financiële crisis van 2008 liet zien dat groei geen garantie is. Deze generatie wil meer dan alleen een loonstrook, ze zoekt zingeving. Werk moet kloppen met wie je bent, anders hoeft het niet. In Rotterdam zie je ze in de wijk waar koffietent en werkplek samenkomen, laptop open, hoofd vol plannen. Hun vorming is continu, ze blijven leren, blijven ontwikkelen, en ja, ook blijven twijfelen. Hun relatie met digitaal is vanzelfsprekend, ze zijn de eerste generatie die vrije tijd niet ziet als resttijd maar als onderdeel van je identiteit. Duurzaamheid, diversiteit, mentaal welzijn zijn geen extraatjes maar voorwaarden. Hun opvoeding van de volgende lichting is bewuster, meer gericht op balans. Hun economische ontwikkeling is grilliger, met flex-contracten, zzp, hybride werken, maar ook met meer aandacht voor de lange termijn gevolgen van keuzes. Hun doeleinden zijn dubbel, carrière én leven. Daarin zit hun kracht en hun worsteling met macht en onmacht, ze willen de wereld veranderen maar weigeren zichzelf op te branden.
Generatie Z 2001-2015: opgegroeid met alles binnen handbereik
Generatie Z kent geen wereld zonder smartphone. Altijd verbonden, altijd informatie. Dat maakt ze pragmatisch, soms zelfs harder dan je zou verwachten van zo’n jonge generatie. Ze hebben crisis en pandemie van dichtbij meegemaakt en dus geloven ze minder snel in mooie beloftes. Voor Rotterdammers van deze generatie is diversiteit geen thema maar de wijk zelf, verschillende talen in de tram, verschillende achtergronden op school, dat is normaal. Ze zijn sterk in inclusie omdat ze er middenin staan. Hun vorming is digitaal en fysiek tegelijk, TikTok en bijbaan, activisme en studie. Ze praten open over mentale gezondheid, over grenzen, over wat wel en niet kan. Hun kijk op vrije tijd is anders, het is geen ontsnapping maar herstel. Hun economische ontwikkeling wordt bepaald door onzekerheid op de woningmarkt en kansen in een economie die steeds meer om skills draait dan om diploma’s. Op de lange termijn denken ze juist heel nuchter na over klimaat, over wonen, over werk dat blijft bestaan. Hun doeleinden zijn concreet, hun opvoeding van zichzelf is continu. Hun macht zit in hun aantal stemmen en hun netwerk, hun onmacht in systemen die langzamer bewegen dan zij. Het straat ritme van deze generatie is snel, direct, zonder omweg.
Wat komt hierna: AI, klimaat en de volgende onwikkeling
De volgende generaties groeien op met kunstmatige intelligentie als huisgenoot. Niet als sciencefiction maar als gereedschap, in school, in werk, in zorg. Dat verandert wat we verstaan onder leren en onder maken. Klimaatverandering is voor hen geen debat maar dagelijkse realiteit, de wind die door de stad jaagt is niet alleen maar weer. Dat vraagt om andere vormen van onderwijs, meer virtueel, meer praktijk, meer leren op de plek waar het gebeurt. De vraag is niet of er een nieuwe generatie komt met een nieuwe naam, maar hoe wij nu ruimte maken. Elke generatie Rotterdammers heeft laten zien dat vorming nooit alleen in een klaslokaal gebeurt. Het gebeurt op de Maasbrug met tegenwind, in de wijk waar je leert omgaan met verschil, in de manier waarop digitaal en fysiek elkaar raken. Economische ontwikkeling op de lange termijn vraagt niet alleen om plannen maar om mensen die hun opvoeding serieus nemen en hun doeleinden durven bij te stellen. Macht en onmacht blijven naast elkaar lopen, dat is geen fout maar de realiteit van een stad die altijd in beweging is. De ontwikkeling stopt niet, ze verplaatst zich alleen.



Geef een reactie